Op 13 september las auteur Almar Otten tijdens de bijeenkomst van Deventer Literair onderstaand verhaal voor.
De grootste schrijver van Deventer
Ik ben de grootste schrijver van Deventer en mijn naam is Arno de Monchy. Ik neem het u niet kwalijk dat u mij niet kent. Mijn laatste boek verscheen namelijk midden jaren zestig van de vorige eeuw. Het was tevens mijn debuutroman.
Sindsdien treed ik nog slechts op als schrijver, ik schrijf niet meer. Jammer voor Deventer. Mijn boeken hadden van Deventer het literaire centrum van Nederland kunnen maken. Ik sluit niet uit dat chique uitgeverijen hun Amsterdamse grachtenpanden hadden verlaten en zich hadden gevestigd aan de Welle of de Keizerstraat om mij te contracteren. Zo heeft het echter niet mogen zijn. Hogere machten hebben anders beslist.
Van mijn tegenwoordige optredens als schrijver moet u zich niet al te veel voorstellen. Achterzaaltjes van plattelandsdorpshuizen, literaire cafés met dichtgedraaide subsidiekraan en kwijnende boekhandels. In Deventer ben ik maar zelden te zien geweest, voor het laatst in 1979 toen ik te gast was bij een studentenvereniging. Afgaande op de titel van mijn enige roman, ‘Ontluikend koolzaad’, dachten ze dat ik een landbouwkundige was.
Aangezien mijn boek allang niet meer leverbaar is, heeft het publiek mijn boek over het algemeen niet gelezen. Het valt daarom niet mee om de contractueel afgesproken twee uur vol te praten. Ik doe altijd mijn best om iemand uit het publiek zo snel mogelijk de enige interessante vraag te laten stellen: waarom heb ik nooit meer iets geschreven na het verschijnen van mijn debuutroman?
Een paar maanden geleden zat ik in de kroeg en raakte ik aan de praat met een uitgever. Na een paar biertjes vroeg hij me wat ik deed voor de kost. Na enig aandringen en een paar extra biertjes van zijn kant, vertelde ik het verhaal van mijn schrijverschap. Hij reageerde enthousiast en vroeg of ik mijn verhaal op papier wilde zetten. Het zou worden opgenomen in een bundel met verhalen over de Deventer boekenmarkt. Talloze beroemdheden zouden een bijdrage leveren. U begreep dat ik twijfelde. Natuurlijk voelde ik mij vereerd. Meer dan veertig jaar na mijn eerste en laatste roman zou ik weer worden gepubliceerd! Aan de andere kant lukte het mij al veertig jaar om een boterhammetje te verdienen met het vertellen van dat ene verhaal. Waarom zou ik mijn eigen glazen ingooien door het verhaal op te schrijven? Omdat de uitgever zag dat ik aarzelde, liet hij de glazen nog eens volschenken en bood hij mij een deel van de royalty’s die het boekje zouden opleveren. Dat was een aanlokkelijk vooruitzicht, zeker toen hij aantallen van honderdduizend en meer noemde. Vandaar dat u het geluk hebt mijn verhaal te mogen lezen.
Mijn eersteling, ‘Ontluikend koolzaad’, was een autobiografisch getint boek over een jongen uit Bathmen die bang was voor de kleur geel. Geel gebruikte ik als metafoor voor de medemens. Zowel mensen als de kleur geel zijn namelijk alom aanwezig. Het boek beschrijft de vlucht voor iets onontkoombaars. Aangezien dat onmogelijk is raakt de jongen aan de drugs, wordt schizofreen en springt van de Lebuïnus.
Het boek kreeg lovende recensies in de landelijke pers en ik mocht naar het Boekenbal. Ik was daarom niet verbaasd dat ik een uitnodiging ontving van het Nederlandse ministerie van onderwijs, kunsten en wetenschappen om met collega-schrijvers mee te gaan naar een internationale schrijversconferentie in Parijs. Een rondje bellen leerde me dat al mijn vrienden meegingen, Harry M., Remco C., Cees N., Gerard R. natuurlijk, Simon V., Willem Frederik, Jan W., noem maar op. Nu allemaal gelouterde namen, maar toen geen cent te makken. Het aangeboden snoepreisje liet niemand daarom aan zijn neus voorbijgaan.
We reisden per trein, het ministerie zorgde voor broodjes en zelf hadden we wijn gekocht. Het treinstel dat speciaal voor ons was gereserveerd zinderde van de inspiratie. Het was een tijd dat jongelui zoals wij trots waren op onze welbespraaktheid en we schaamden ons er niet voor om onze experimentele poëzie, incoherente toneelscènes, expressionistische woordkunst aan elkaar voor te dragen.
In Frankrijk had men een eenvoudig hotel voor ons geregeld. We sliepen met z’n allen op dezelfde slaapzaal.
De schrijversconferentie was geen succes. Frankrijk was helemaal in de ban van de filosofen, Foucault, Derrida, Barthes, Baudrillard, noem maar op. Daar hadden wij in onze Nederlandse eenvoud helemaal niets aan toe te voegen. Harry probeerde het wel, maar concludeerde verontwaardigd dat die Franse kwasten niet in staat waren om zich in zijn gedachtegang te verplaatsen. Cees had het snel gezien, hij reisde diezelfde avond nog door naar Spanje, met een omweg naar Santiago de Compostella. Wij gaven de voorkeur aan het Parijs’ uitgaansleven. De begeleidende ambtenaar van het ministerie toonde zich bereid onze honneurs tijdens de conferentie waar te nemen.
De tweede avond van ons verblijf in Parijs betekende de ommekeer in mijn carrière, en niet alleen in die van mij. Zonder die avond had de Nederlandse literatuurgeschiedenis er geheel anders uitgezien.
De sobere onkostenvergoeding van het ministerie was bijna op. Van het restant kochten we ieder een doosje wijn en gingen terug naar ons hotel. Simon ging op zoek naar glazen, maar werd door Gerard, God hebbe zijn ziel, teruggefloten. Gerard ontkurkte gewoon voor iedereen een fles. U begrijpt, de stemming steeg snel.
Het was Harry die op een gegeven moment opperde om een spelletje te doen. Zijn voorkeur ging uit naar toepen. Iedereen was enthousiast. We spraken af dat de verliezer van een potje een nieuwe fles wijn uit eigen voorraad zou aanbreken. Dat ging goed. De aanvoer van nieuwe flessen was in evenwicht met de consumptie.
Toen er bijna niets meer te ontkurken viel, opperde Willem Frederik, God hebbe ook zijn ziel, om de inzet te veranderen. Hij had een concreet voorstel. De verliezer moest afstand doen van een eigen idee en dat idee zou overgaan naar de winnaar. Niemand kon zich er iets bij voorstellen maar iedereen deed mee.
Ik verloor het eerste potje. Harry won. Niet lullig doen, dacht ik en overhandigde Harry een compleet manuscript met als titel ‘De ontdekking van de hemel’. Het ging over een Deventer jongen uit een arbeidersbuurt wiens ouders te arm waren om de contributie voor de voetbalclub te betalen. Hij voetbalde daarom op straat en net op het moment dat hij een briljante dribbel liet zien, reed de trainer van Go Ahead voorbij. Die nam hem mee naar de Adelaarshorst en dat was het begin van een glanzende carrière die even mooi als dramatisch eindigde. De titel van het boek slaat op de enorme pegel van veertig meter in de rechterbovenhoek van het Ajax-doel, waarmee hij degradatie van Go Ahead voorkwam en tegelijkertijd zijn knie onherstelbaar blesseerde. Omdat Harry niet van voetbal hield, paste hij de inhoud iets aan, maar in grote lijnen heeft hij mijn manuscript later ongewijzigd gepubliceerd.
Ik verloor ook het tweede potje en gaf Remco C. het idee om, samen met een voetballer, een dagelijkse column te schrijven op de voorkant van een dagblad. Hilariteit ten top natuurlijk.
Zo ging het verder, ik bleef verliezen. Ik was altijd al een slechte slaper geweest en moest een ruwe samenvatting van ‘Nooit meer slapen’, over een Deventer student die verdwaald in de woestijn, afstaan aan Willem Frederik. Jan W., die toentertijd vooral schreef over de wonderen der natuur en rabiaat tegenstander was van seks in de literatuur, werd eigenaar van mijn idee voor ‘Turks Fruit’. Dat was een verhaal over een jonge blonde medewerker van Thomassen en Drijver die elke dag liftend naar zijn werk ging en op een dag werd opgepikt door de secretaresse van de directeur. Dat leidde tot een gepassioneerde liefdesrelatie die eindigde toen hij met zijn broek op de enkels werd betrapt in de kamer van de directeur. Zij redde zich eruit door te zeggen dat ze bij het zien van zijn imposante gestalte was flauwgevallen en geen idee had hoe ze op zijn bureau was terechtgekomen. De jongen werd ontslagen en zij trouwde met de directeur. Het is duidelijk dat Jan na het winnen van mijn idee voor ‘Turks Fruit’ een radicaal andere literaire koers is gaan varen.
Naarmate de nacht vorderde werden de ideeën steeds vager. De benjamin van de groep, die toen nog twijfelde tussen zijn pseudoniem Canaponi of alleen zijn voorletters AFTh, ging aan de haal met een ongeordende bundel autobiografische aantekeningen en een titel: ‘De tandeloze tijd.’ Hij heeft alleen Deventer verandert in Geldrop en hier en daar wat tierelantijnen toegevoegd.
Uiteindelijk moest ik afstand doen van al mijn ideeën. Harry was de grote winnaar. Hij kon zich de rest van zijn leven wijden aan het schrijven. Denkwerk was niet meer nodig.
U zult wel denken. Hoe kunt u dit verhaal met droge ogen vertellen? Heeft u geen rancune naar uw collega’s? U had tenslotte miljonair kunnen zijn. Nee, zeg ik dan. Het was maar een spelletje.
Almar Otten, Deventer