Vergetelheid (1)
‘Wel menigmaal zei de melkboer
Des morgens tot haar meid:
“De stoep is weer nat.” Och, hij wist niet,
Dat er ’s nachts op die stoep was geschreid.
Nu, dat hij en de meid het niet wisten,
Dat was minder; — maar dat zij
Er hoegenaamd niets van vermoedde,
Dat was wel hard voor mij.’
Hier scheiden wellicht al onze wegen. Wie geen traan kan wegpinken of op z’n minst een glimlach kan produceren bij bovenstaand gedichtje, een van de zogenaamde ‘Immortellen’ van de dominee-dichter François HaverSchmidt, of juister: van de geheimzinnige dichter Piet Paaltjens, die hoeft nu niet verder te lezen, en trouwens ook niet de komende weken.
Welnu. HaverSchmidt, geboren in Leeuwarden in 1835, studeerde tussen 1852 en 1855 theologie in Leiden. Hij nam met hart en ziel deel aan het studentenleven, getuige het feit dat hij zo’n beetje alle officiële functies in het corps bekleed heeft die er in die jaren te vergeven waren. Intussen creëerde hij voor zichzelf een melancholiek alter ego, in de persoon van Piet Paaltjens Zogenaamd door bemiddeling van HaverSchmidt verschenen van deze Paaltjens even droevige als vermakelijke versjes in de Leidse Studentenalmanak. Totdat HaverSchmidts studententijd er op zat, en Paaltjens, die intussen op mysterieuze wijze was verdwenen tussen twee sociëteitsbiljarts, ook bleek te zijn uitgedicht. Jaren later, toen HaverSchmidt al lang het domineesambt uitoefende, werd een aantal van deze gedichten opgenomen in een poëziebundel, samengesteld door Johannes van Vloten, die als een negentiende-eeuwse Gerrit Komrij een fijne neus had voor kwaliteit, ook al betrof het dan ‘light verse’. Kort daarna verschenen ze in een aparte bundel, onder de titel Snikken en grimlachjes. Dankzij deze bundel geniet HaverSchmidt nog altijd een zekere faam in onze literatuur, en is ook Piet Paaltjens aan de vergetelheid ontrukt.
Om redenen die ik zelf ook niet precies weet, heb ik in mijn eigen studietijd, in datzelfde Leiden, altijd een zwak gekoesterd voor de figuur van HaverSchmidt. En dan niet alleen voor zijn Piet Paaltjens-versjes, hoewel ik die buitengewoon vermakelijk vond en nog vind, maar ook om de verhalen die hij toen hij eenmaal de studietijd achter zich had gelaten is gaan schrijven, publiceren en ook in den lande is gaan voordragen. En vanwege zijn preken, al herinner ik me dat ik daar destijds nog niet veel aandacht voor had. Een aantal malen heb ik in ieder geval urenlang in een speciale zaal van de Universiteitsbibliotheek, toen nog op het Rapenburg gevestigd, mogen doorbengen. Om mij heen een stapel zwarte – meen ik — dozen met daarin de nagelaten werken van HaverSchmidt, die men op speciaal verzoek mocht inzien. Voor de allereerste keer heb ik toen de sensatie geproefd van het in handen houden van papier dat meer dan een eeuw eerder is beschreven door een echte kunstenaar. Geen computer zal die sensatie ooit kunnen teweegbrengen. Intussen hebben veel anderen diezelfde dozen mogen uitpakken, en is veel, zij het nog steeds niet alles, van HaverSchmidts nalatenschap gepubliceerd. Met name van zijn preken is maar een klein gedeelte in druk verschenen, al is het de vraag of het ook echt de moeite zou lonen ze allemaal uit te geven. Ook in zijn proza is HaverSchmidt vooral ‘sympathiek’, alleen bij vlagen meer dan dat.
Hoe dan ook, er bestaat een sympathieke bloemlezing door een drs. J.J. Borger, die niet alleen een kleine keus uit de gedichten van Piet Paaltjens bevat, maar ook een aantal verhalen uit de bundel Familie en kennissen die HaverSchmidt in 1876 publiceerde, ditmaal gewoon onder eigen naam, want het betrof ook niet de fictieve herinneringen van Piet Paaltjens.
Plus een paar van zijn preken. Een daarvan, getiteld ‘Vergeten worden’, heeft me altijd bijzonder getroffen. Een kind in gesprek met zijn grootvader, die dominee is. Het gesprek komt op de wapenschilden en de grafstenen in de kerk waar grootvader preekt. Zelfs hij weet van de meeste borden en graven niet precies te vertellen om wie het gaat. Tsja, de meeste mensen, ook die in hun tijd een beroemde held waren, raken in de vergetelheid, en komen in het vergeetboek terecht. Ook de goede mensen? Ja, ook de goeden. Het kind kan het niet geloven. Ook grootvader zal dus eens, als al diegenen die hem hebben gekend, zijn heengegaan, in dat vergeetboek terechtkomen – niemand die dan meer weet wat voor nobel mens hij was. En ook hijzelf … ‘Enerlei weervaart de rechtvaardige én de goddeloze’, citeert grootvader uit Prediker. Zo is het, ons allen hangt hetzelfde lot boven het hoofd eens in de vergetelheid te geraken, een hoge uitzondering daargelaten. Uitzondering? Getuigt het niet van ijdelheid, om een spoor na te willen laten ‘in de zandzoom van de tijd’? Er zijn er die zelfs grote kunstwerken vernietigen of oorlogen voeren, om maar in de geschiedenisboeken terecht te komen. Zelfbehagen, roemzucht, anders is het niet. ‘Al was hij bij leven een Leeuw: als hij gestorven is, dán is zelfs een hond, mits levend, er beter aan toe.’
Maar er is een troost, zo eindigt het verhaal, waarbij HaverSchmidt de vertellersrol overneemt. En dat is dat het wezenlijke in ons, het schone en het goede, tóch ergens bewaard blijft. Dat immers staat geschreven ‘in het gedenkboek dat voor Gods aangezicht is.’ Het is niet helemaal duidelijk of het kind dat wel voldoende genoegdoening zou vinden. Het is zelfs de vraag of HaverSchmidt zelf het helemaal geloofde. Zo ja, dan scheiden hier alsnog onze wegen.
29 aug. 2010