Category: Snippers (Jos Paardekooper)

Vergetelheid (1)

‘Wel menigmaal zei de melkboer
Des morgens tot haar meid:
“De stoep is weer nat.” Och, hij wist niet,
Dat er ’s nachts op die stoep was geschreid.


Nu, dat hij en de meid het niet wisten,
Dat was minder; — maar dat zij
Er hoegenaamd niets van vermoedde,
Dat was wel hard voor mij.’


Hier scheiden wellicht al onze wegen. Wie geen traan kan wegpinken of op z’n minst een glimlach kan produceren bij bovenstaand gedichtje, een van de zogenaamde ‘Immortellen’ van de dominee-dichter François HaverSchmidt, of juister: van de geheimzinnige dichter Piet Paaltjens, die hoeft nu niet verder te lezen, en trouwens ook niet de komende weken.


Welnu. HaverSchmidt, geboren in Leeuwarden in 1835, studeerde tussen 1852 en 1855 theologie in Leiden. Hij nam met hart en ziel deel aan het studentenleven, getuige het feit dat hij zo’n beetje alle officiële functies in het corps bekleed heeft die er in die jaren te vergeven waren. Intussen creëerde hij voor zichzelf een melancholiek alter ego, in de persoon van Piet Paaltjens Zogenaamd door bemiddeling van HaverSchmidt verschenen van deze Paaltjens even droevige als vermakelijke versjes in de Leidse Studentenalmanak. Totdat HaverSchmidts studententijd er op zat, en Paaltjens, die intussen op mysterieuze wijze was verdwenen tussen twee sociëteitsbiljarts, ook bleek te zijn uitgedicht. Jaren later, toen HaverSchmidt al lang het domineesambt uitoefende, werd een aantal van deze gedichten opgenomen in een poëziebundel, samengesteld door Johannes van Vloten, die als een negentiende-eeuwse Gerrit Komrij een fijne neus had voor kwaliteit, ook al betrof het dan ‘light verse’. Kort daarna verschenen ze in een aparte bundel, onder de titel Snikken en grimlachjes. Dankzij deze bundel geniet HaverSchmidt nog altijd een zekere faam in onze literatuur, en is ook Piet Paaltjens aan de vergetelheid ontrukt.
Om redenen die ik zelf ook niet precies weet, heb ik in mijn eigen studietijd, in datzelfde Leiden, altijd een zwak gekoesterd voor de figuur van HaverSchmidt. En dan niet alleen voor zijn Piet Paaltjens-versjes, hoewel ik die buitengewoon vermakelijk vond en nog vind, maar ook om de verhalen die hij toen hij eenmaal de studietijd achter zich had gelaten is gaan schrijven, publiceren en ook in den lande is gaan voordragen. En vanwege zijn preken, al herinner ik me dat ik daar destijds nog niet veel aandacht voor had. Een aantal malen heb ik in ieder geval urenlang in een speciale zaal van de Universiteitsbibliotheek, toen nog op het Rapenburg gevestigd, mogen doorbengen. Om mij heen een stapel zwarte – meen ik — dozen met daarin de nagelaten werken van HaverSchmidt, die men op speciaal verzoek mocht inzien. Voor de allereerste keer heb ik toen de sensatie geproefd van het in handen houden van papier dat meer dan een eeuw eerder is beschreven door een echte kunstenaar. Geen computer zal die sensatie ooit kunnen teweegbrengen. Intussen hebben veel anderen diezelfde dozen mogen uitpakken, en is veel, zij het nog steeds niet alles, van HaverSchmidts nalatenschap gepubliceerd. Met name van zijn preken is maar een klein gedeelte in druk verschenen, al is het de vraag of het ook echt de moeite zou lonen ze allemaal uit te geven. Ook in zijn proza is HaverSchmidt vooral ‘sympathiek’, alleen bij vlagen meer dan dat.
Hoe dan ook, er bestaat een sympathieke bloemlezing door een drs. J.J. Borger, die niet alleen een kleine keus uit de gedichten van Piet Paaltjens bevat, maar ook een aantal verhalen uit de bundel Familie en kennissen die HaverSchmidt in 1876 publiceerde, ditmaal gewoon onder eigen naam, want het betrof ook niet de fictieve herinneringen van Piet Paaltjens.
Plus een paar van zijn preken. Een daarvan, getiteld ‘Vergeten worden’, heeft me altijd bijzonder getroffen. Een kind in gesprek met zijn grootvader, die dominee is. Het gesprek komt op de wapenschilden en de grafstenen in de kerk waar grootvader preekt. Zelfs hij weet van de meeste borden en graven niet precies te vertellen om wie het gaat. Tsja, de meeste mensen, ook die in hun tijd een beroemde held waren, raken in de vergetelheid, en komen in het vergeetboek terecht. Ook de goede mensen? Ja, ook de goeden. Het kind kan het niet geloven. Ook grootvader zal dus eens, als al diegenen die hem hebben gekend, zijn heengegaan, in dat vergeetboek terechtkomen – niemand die dan meer weet wat voor nobel mens hij was. En ook hijzelf … ‘Enerlei weervaart de rechtvaardige én de goddeloze’, citeert grootvader uit Prediker. Zo is het, ons allen hangt hetzelfde lot boven het hoofd eens in de vergetelheid te geraken, een hoge uitzondering daargelaten. Uitzondering? Getuigt het niet van ijdelheid, om een spoor na te willen laten ‘in de zandzoom van de tijd’? Er zijn er die zelfs grote kunstwerken vernietigen of oorlogen voeren, om maar in de geschiedenisboeken terecht te komen. Zelfbehagen, roemzucht, anders is het niet. ‘Al was hij bij leven een Leeuw: als hij gestorven is, dán is zelfs een hond, mits levend, er beter aan toe.’
Maar er is een troost, zo eindigt het verhaal, waarbij HaverSchmidt de vertellersrol overneemt. En dat is dat het wezenlijke in ons, het schone en het goede, tóch ergens bewaard blijft. Dat immers staat geschreven ‘in het gedenkboek dat voor Gods aangezicht is.’ Het is niet helemaal duidelijk of het kind dat wel voldoende genoegdoening zou vinden. Het is zelfs de vraag of HaverSchmidt zelf het helemaal geloofde. Zo ja, dan scheiden hier alsnog onze wegen.


29 aug. 2010

Waarom

Hij kan zomaar ineens opduiken, de waarom-vraag. Hij overviel me, toeval of niet, zowel aan het begin als aan het eind van mijn zomervakantie. Het begon op een terras in een lieflijk Duits plaatsje waarvan ik de naam al weer ben vergeten, het was in ieder geval in de buurt van Kassel, beroemd van de Dokumenta-tentoonstellingen. Maar die waren er dit jaar niet, en dan valt er in Kassel zelf niet zo heel veel te beleven. Vooral niet als dan ook nog eens vrijwel alle musea gesloten zijn, zelfs al stond er op de onderscheiden voordeuren aangegeven dat ze wel degelijk geopend waren. Continue reading 'Waarom'»

Utopisch denken

‘Wat let je’, zegt mijn buurman als we komen te spreken over de wereldtentoonstelling in Sjanghai. ‘Een retourtje voor nog geen tweeduizend euro.’ Geen geld, als je bedenkt dat je daarvoor de hele wereld in een notendop te zien krijgt, en ook nog eens de Nieuwe Wereld in levende lijve kunt aanschouwen. Een andere buurman van me heeft al sinds jaren een appartement in Sjanghai, dus met wat naoberschap komen er wellicht geen verblijfskosten meer bij. Maar helaas, dat reisje gaat mijn budget toch een beetje te boven. Ik hou het ook deze zomer dus maar weer bij een eenvoudig verblijf in Droomland. Dat grenst aan mijn achtertuin, en dat drukt de kosten aanzienlijk.

Continue reading 'Utopisch denken'»

Massa en onmacht

Vorige week was ik in Duitsland, niet om deel te nemen aan een parade, maar om met een goede vriend een paar sprookjesachtige Grimm-locaties te bezoeken. Dat was niet zo heel ver van Duisburg, maar dat maakte natuurlijk niet uit: het nieuws dringt overal in alle poriën van de samenleving door. Vanaf de krantenpagina’s en het televisiescherm was dus de bovenburgemeester van Duisburg alom aanwezig, voortdurend in de weer om iedere verantwoordelijkheid voor de doden en gewonden van de Love parade van zich af te schudden. Of er in het Duitse ambtelijke bestel een onderburgemeester bestaat, die misschien ook enige verantwoordelijkheid draagt, is me al die dagen niet duidelijk geworden, maar dat maakt evenmin veel uit. Want als er uit de berichtgeving iets duidelijk naar voren kwam, dan wel dit: dat ‘uiteraard’ niemand deze gebeurtenissen had kunnen voorzien, en dat dus ook ‘eigenlijk’ niemand verantwoordelijk gehouden kon worden. Dat de verschillende instanties ongetwijfeld wél hun verantwoordelijkheden hadden geëtaleerd wanneer dit dansfestijn een klinkend succes was geworden: dat valt niet te bewijzen, maar ik heb zo mijn vermoedens.

Continue reading 'Massa en onmacht'»

De Schopenhauerkuur

In mijn leesclub bespreken we binnenkort een merkwaardig boek. Het heet The Schopenhauer Cure, netjes vertaald als De Schopenhauerkuur, en het is geschreven door een zekere Irvin D. Yalom. Hij schijnt zowat de beroemdste Amerikaanse psychiater te zijn, en een autoriteit op het gebied van groepstherapie. Zowel op de Amerikaanse als de Nederlandse flap van de uitgaven die ik heb gelezen kijkt een kalende man met een modieus ringbaardje met toegeknepen ogen in de camera. Iemand bij wie ik op grond van die foto in ieder geval niet op de koffie zou willen, laat staan in therapie. Zat ik niet in die leesclub, dan zou ik het boek op grond van die foto misschien wel nooit zijn gaan lezen. Continue reading 'De Schopenhauerkuur'»

Heilgymnastieken

Zo, dat hebben we weer gehad. De vlaggenfabriek die nog gauw een paar honderdduizend kampioensvlaggen liet drukken is failliet, de toeters kunnen de vuilnisbak in. Spanje wereldkampioen voetjebal, en Nederland kampioen vrij trappen. Om het leed een beetje te verzachten, bedachten de media voor onze loosers een nieuwe sportprijs: ‘vice-wereldkampioen’. De zegetocht door de Amsterdamse grachten ging toch maar door, volgens een woordvoerder ‘om de mensenmenigte te kunnen spreiden’, wat me een eufemisme lijkt voor angst voor ongeregeldheden. In een paar dagen tijd heb ik meer dan acht keer via verschillende media mogen vernemen dat ‘alle Amsterdamse woonboten de intocht hebben overleefd’ – wat ik in meer dan één opzicht een opmerkelijke constatering vond, vandaar dat ik hem hier nogmaals opmerk. Ook de koningin wilde het festijn kennelijk graag overleven, en deelde een paar lintjes uit. Niemand kan nu in ieder geval ooit meer aannemelijk maken dat we in een individualistische samenleving leven.
Intussen gaan in ons brave Deventer stemmen op om de trainer van het verliezende team, die op de Worp schijnt te zijn geboren, met een heuse straatnaam te eren. Een hachelijke onderneming, want je weet maar nooit hoe die man zich de rest van zijn loopbaan nog gaat ontwikkelen. Daarom is het in ons land ongebruikelijk om straten te vernoemen naar nog levende personen, maar van mij mag hij zijn straat nu al krijgen. Als ik de wethouder die deze belangrijke beslissing moet nemen een handje mag helpen: gooi er dan ook een Van Heutszstraat, een Piet Heinplein en een Lumeylaan tegenaan. Dat wordt dan de Deventer nationale-heldenbuurt, waarin de wegen zijn vernoemd naar ferme Hollandse knapen die hun ondergeschikten plachten aan te sporen met de simpele order: ‘Jongens, de beuk erin, vandaag hebben jullie vrij spel!’
Wie ook vrij spel hadden, dat waren de krantenjongens. Zoals in sterfscènes op het toneel of het witte doek er altijd vlak voor de laatste ademtocht een allerlaatste opflikkering is, waarin de aanstaande dode nog even zijn diepste gedachten aan het heelal en de verzamelde erfgenamen prijsgeeft, zo konden de kranten, in het vermoeden dat dit wel eens hun allerlaatste voetbalwereldkampioenschapverslaglegging kon zijn, zich nog één keer uitleven. De Stentor wist op de Grote Dag, toen de overwinning nog daagde, maar liefst 43 pagina’s met ‘nieuws’ rondom de ultieme match te vullen, en ook de dagen erna viel er volop aan verliezersfestiviteiten te melden. Ik vernam van ‘een ontwapenende, alles uitwissende uitbundigheid’ op het Museumplein. En bij de intocht werd de spelersboot, zo las ik, omzwermd door alles wat maar varen kon, ‘in de geest van Piet Hein’. Warempel, daar hadden we onze volksheld uit de Tachtigjarige Oorlog weer, die destijds trouwens ook niet verder kwam dan zilver.
Zo hebben we allemaal op onze eigen manier van dit evenement genoten. Ikzelf heb me het meest vermaakt met het herlezen van een bundel columns van Jan Blokker uit de jaren 1976-1978. Dat was de tijd dat onze jongens naar Argentinië gingen, niet om daar een vredesmissie uit te voeren tegen het militaire regime van Videla, maar om daar, volgens afspraak met de generaals, op een meer of minder opvallende manier te verliezen. Voetballen, constateerde Jan Blokker, blijkt het best te gedijen in onderontwikkelde delen van deze aardkloot, en vooral in landen van twijfelachtig allooi. Daarbij gesteund door de rijke landen waarin een handvol ‘buitensporig gesalarieerde voetballers, die geen enkele boodschap hebben aan iets anders dan hun eigen Grote Geld, ineens gaan lopen doen alsof ze voor het vaderland uitkomen.’ En dan te bedenken dat het allemaal is begonnen als ‘een potje geciviliseerd mensendiecken voor gecultiveerde Engelsen’, onder leiding van ‘een zojuist door koningin Victoria in de adelstand verheven jurist’, bij welk uurtje heilgymnastieken uiteraard geen publiek werd toegelaten anders dan een paar kennissen uit eigen kring.
Na die politiek geregelde afgang in 1978, zo hoopte de columnist tegen beter weten in, zou het spelletje eigenlijk weer naar die status moeten terugkeren. Hij heeft het niet meer mogen meemaken.

18 juli 2010

Helden

Het is zondagmorgen 11 juli 2010, het belooft na een nacht vol donder en bliksem weer een tropisch hete dag te worden. Deventer staat al het hele weekend op stelten, en als dat festijn is afgelopen, moet het grootste spektakel nog beginnen: dan zal blijken of ‘onze jongens’ er weer in zullen slagen om die gehate Spanjolen mores te leren. Als u dit leest, is de uitslag van dat treffen al bekend, en weet u ook of het een faire wedstrijd is geworden of een stevig potje trappen tegen zere schenen.
Maar waarom nu die Iberische krullebollen meteen voor ‘gehate Spanjolen’ uit te maken? En hoezo ‘weer’, zult u denken. Wel, de vorige keer dat we ze onze spierballen hebben laten zien, was tijdens de Tachtigjarige Oorlog, en u weet hoe die is afgelopen. Sindsdien zingen we bij plechtige gelegenheden dat we allemaal Willem heten, en liegen we dat we de koning van Spanje altijd hebben geëerd. Gelukkig hoeft onze kroonprins Willem dat zijn verre grootvader niet na te zeggen, daar in dat Zuid-Afrikaanse stadion met al die Spanjaarden. Leden van koningshuizen worden geacht hun eigen volkslied niet mee te zingen. Wat hij vijftien jaar geleden wél meezong, ben ik even kwijt. Maar waar hij zich toen bevond, dat weet ik nog wel, al geven de kranten en de andere media daar dezer dagen weinig ruchtbaarheid aan. Ik zal het u zo meteen verklappen.
Maar eerst even die Tachtigjarige Oorlog en die Spaanse furie. Voor het geval u die er een beetje met de haren bijgesleept vond: dat heb ik niet zelf verzonnen, want dat stond nu juist weer wél in de krant. Op de voorpagina van de NRCspan> van dit weekend om precies te zijn. Het zou me daarom niets verbazen als ook andere, nog meer voetbalminnende kranten dezer dagen ons die grote vrijheidsoorlog in herinnering hebben gebracht, min of meer zoals we er in 1974 ten tijde van de finale geregeld aan herinnerd werden dat er nog een rekening te vereffenen viel. Zo zie je maar hoe nuttig het is als er af en toe nog mensen op de hoogte zijn van ons nationale verleden, en daarmee van onze aartsvijanden, waar we er in de loop der eeuwen overigens heel wat van hebben mogen meemaken. Nog een geluk dus dat we dit keer niet tegen Denemarken (Vikingen!), Duitsland (Teutonen!), Engeland (Chatham!) of Frankrijk (Pichegru!) in de finale zijn beland.
Waar was onze kroonprins nu vijftien jaar geleden? Dat had u nog van me tegoed. Die was toen ook bij onze jongens, en die vierden toen ook feest. Zonder vuvuzela’s en bellen, maar er werd wel gedronken en gezongen, en er werd een rondedansje te maken, samen met onze Willem-Alexander. Het was een paar dagen na 12 juli 1995, morgen op de kop af anderhalf decennium geleden, en de plaats was Srebrenica.
Of ‘we’ nu de finale hebben gewonnen of verloren, heel Nederland zal uit zijn dak gaan als onze helden in de hoofdstad worden gehuldigd. Het woord ‘held’ is intussen ook al voor mislukte songfestivalzangeresjes gebruikt, dus veel inhoud heeft dat begrip niet meer. Erg heldhaftig ging het er in juli 1995 niet aan toe, daar in de compound in Srebrenica. ‘Don’t shoot the piano player’ zei overste Karremans. Dat was heel andere taal dan ‘de tirannie verdrijven’. En terwijl onze Dutchbatters opgelucht waren dat ze de dans waren ontsprongen, werden ruim 9000 moslims door de Servische troepen van Mladic weggevoerd en vermoord.
Er zal de komende dagen in de Nederlandse media niet heel veel aandacht aan geschonken worden. Aanzienlijk minder in ieder geval dan aan het verloop van die heldenstrijd in Zuid-Afrika, en dan is er ook nog de Tour. Daarom denk ik er vandaag alvast even aan.

11 juli 2010

Wereldtentoonstelling

‘Ik heb een heel leuk boek voor je’, zei een collega tegen me, en ze haalde het uit haar tas. Ik was wel benieuwd waarmee ze zou komen, want zo vaak hadden we elkaars leesvoorkeuren nog niet uitgewisseld. De duivel in de witte stad, heette het. Even aarzelde ik, maar meteen toen ik het omslag zag, begreep ik dat het een schot in de roos was. De omslagfoto toonde een basiliekachtig gebouw bij nacht, badend in het licht van misschien wel duizend gloeilampen, en weerspiegeld in de immense vijver vóór het gebouw. Natuurlijk, ‘de witte stad’ was de bijnaam van het complex bouwwerken van de Wereldtentoonstelling die in 1893 in Chicago was gehouden. Min of meer uit nood, dat wil zeggen uit geld- en tijdgebrek hadden de architecten destijds besloten om alle gebouwen wit te pleisteren, en waarachtig: het effect was oogverblindend geweest. ‘The White City remains symbolic of a harmonious urban world still worthy of pursuit.’ Zo luidde de slotzin van een kloeke studie over deze roemruchte wereldtentoonstelling die ik mijn collega kennelijk kort tevoren onder de neus had gehouden. En nu was het haar beurt. ‘Hou je van spannende boeken?’, vroeg ze nog voor de zekerheid, maar ook dat zat wel goed.
Vierhonderdvijftien bladzijden, amper vijf dagen later had ik het al uit – er zijn boeken waarin je niet kunt ophouden. Van alle wereldtentoonstellingen die er de afgelopen anderhalve eeuw zijn gehouden (de eerste was die van Londen, 1851, in het al even befaamde Crystal Palace) neemt die van Chicago een aparte plaats in. Het was de tijd dat het in wereldtentoonstellingen nog draaide om ‘vooruitgang’, om uitvindingen die de wereld zouden verbazen en vaak ook blijvend zouden veranderen. Chicago bracht bijvoorbeeld de popcorn, kauwgom, de eerste Amerikaanse hamburger. En het eerste stalen megakanon van Krupp. ‘De witte stad’ zou, eveneens voor het eerst in de geschiedenis, ‘s nachts even licht zijn als overdag, dankzij de uitvinding van de gloeilamp.
Naast al die revolutionaire nieuwigheden wilden de Chicagoërs hun land, en dan vooral concurrent New York ook laten zien dat ze meer dan varkensslachters waren. Binnen twintig jaar zijn we na Parijs de grootste stad ter wereld, dachten ze zelf, en ze begonnen alvast met de bouw van de allereerste wolkenkrabber ter wereld. Europa mocht het weten, dat ze daar in de States tot nog grotere prestaties in staat waren dan de Fransen, met hun Eiffeltoren, het pronkstuk van de wereldtentoonstelling in 1889. Dus bouwden ze het allereerste reuzenrad, tweemaal zo hoog als die vermaledijde ‘clou’ of spijker, zoals de Eiffeltoren werd genoemd.
Maar nu die duivel, want terwijl in Engeland een massamoordenaar zijn lugubere faam vestigde als ‘Jack the Ripper’, vestigde zich ten tijde van de bouw van ‘de witte stad’, in een buitenwijk van Chicago een zekere dokter Holmes. Hij heette eigenlijk Herman Mudgett, maar hij hield wel van de verhalen van Poe en Conan Doyle. En hij beschouwde zichzelf als nog veel intelligenter dan Sherlock Holmes himself. Hij zou zich ontpoppen als de grootste massamoordenaar uit de Amerikaanse geschiedenis – meer dan tweehonderd slachtoffers volgens sommige geruchten, maar zoveel heeft men nooit kunnen bewijzen.
Op zichzelf hebben deze Holmes en de wereldtentoonstelling niet zo heel veel met elkaar te maken, afgezien van hun gelijktijdigheid. Hoewel: in een stad die bezig is explosief te groeien, en die in een half jaar tijd meer dan 25 miljoen bezoekers trekt, kan men net iets gemakkelijker zijn gang gaan dan in een overzichtelijke samenleving. Ook in dat opzicht was de wereldtentoonstelling in Chicago innovatief: zij markeerde de overgang van een ‘harmonious urban world’ naar de anonieme geïndustrialiseerde nieuwe wereld. Een wereld die nog heel wat geweld te zien zou geven. Niet voor iedereen ‘worthy to pursuit.’ Maar we hebben geen keus.

4 juli 2010

Kloppen en zuigen

Strijkijzer, stofzuiger, klopvibrator. Ze zijn deze zomer in het Amsterdamse NEMO te zien op een heerlijke huishoudtentoonstelling. Als ik het goed begrepen heb, mogen de bezoekers zelf naar hartenlust kloppen, vegen en zuigen. Een soort omgekeerde wereldtentoonstelling dus, Sjanghai uit grootmoeders tijd. Allemaal gloeiende, loeiende en lillende apparaten die in onze eigenste kapitalistische Eeuw van de Grote Sprong Voorwaarts zijn uitgevonden en die ons het werk grotendeels uit handen hebben genomen. Futurisme en nostalgie liggen heel dicht bij elkaar. Een beetje hedendaags gezin kan niet meer zonder wasdroger of klopvibrator.

Hoe heet dat evenement? ‘Het Huishoudparadijs’. En met dat woord is meteen het probleem in volle omvang zichtbaar gemaakt. Niet zozeer vanwege de spelling, ook al vraagt de virtuele Allesweter in mijn computer, als ik meer over die mysterieuze klopvibrator wil weten, meteen: ‘U bedoelt huishoud paradijs?’ Nee, ik bedoel gewoon ‘huishoudparadijs’. Maar, al was het hier vroeger misschien een stuk veiliger en rustiger, toch geen Hof van Eden? Er was toch tot halverwege de twintigste eeuw de terreur van dat eeuwige geboen en geschrob? Ziehier de ‘Rij van Klagende Huisvaders’, een fragmént! Uit de pen van onze eigentijdse Joost van den Vondel, Annie M.G.:

‘Het ruikt naar terpentijn, ammoniak en schone plinten

een ramp voor alle mannen van alle gezindten.

Ze zijn weer aan het vegen tot ’s avonds half negen

ze schrobben en ze boenen en ze poetsen en ze soppen

ze zuigen en ze willen aldoor matjes kloppen.’

Vrijwel in hetzelfde jaar waarin Joke Smit haar befaamde artikel ‘Het onbehagen van de vrouw’ publiceerde in De Gids kwam in Nederland de eerste volautomatische wasmachine op de markt. ‘Doe de was in de schouwburg!’ adverteerde Miele, al moest er wel op de kleine lettertjes gelet worden: de goedkoopste volautomaat kostte halverwege de jaren zestig twaalfhonderd gulden, ruim drie netto middenstands-maandsalarissen. De oplossing – als moeder erbij gaat werken, is die wasmachine binnen een jaar afbetaald – luidde meteen het nieuwe probleem in. Vader is niet thuis, moeder is niet thuis, en zo begonnen de muizenissen in het voorhuis.

Had vader vóór de algehele omwenteling het thuis dus al niet makkelijk, met de automatisering en elektrificering van het huishouden kwam ook de positie van de baas in huis onder druk te staan. Om misverstanden te voorkomen: die baas was dus moeder de vrouw. Ik weet het, rabiate mannenpraat, maar we zijn in goed gezelschap, en wel van historica Els Kloek (geen pseudoniem). Tijdens een onlangs gehouden debat ‘Koken is voor vrouwen’ in de Amsterdamse Balie liet zij zien hoe eeuwenlang, tot de komst van de wasmachine en de klopvibrator, de Hollandse huisvrouw haar identiteit heeft ontleend aan haar huisvrouwenbestaan. Daarin waren het poetsen en soppen, anders dan de latere karikatuur ons wil doen geloven, bepaald geen dagelijkse bezigheden. Kleren werden een week lang gedragen, kinderen (en vader) kenden hun eigen taken in het huishouden, een ‘werkster’ of huishoudelijke hulp was ook in de middenklasse-milieus niet ongebruikelijk.

Per saldo is ondanks, of juist dankzij al die technische apparatuur, de arbeidsparticipatie van de vrouw, en daarbij de ingeslopen hygiëne-hype (elke dag schone kleren, minstens twee maal per dag douchen!) het huishouden er alleen maar drukker en intensiever op geworden. We moeten er dus beslist dit weekend even uit om te ontstressen. Laten we naar Amsterdam gaan. Hè nee, we trakteren onszelf op een weekendje Zuid-Frankrijk. Met de Tgv ben je er zo, en het is daar altijd mooi weer.

Jos Paardekooper

19 juni 2010

De ziel gaat te paard

Men spreekt wel van coïncidentie. Vandaag is mij het volgende overkomen. Ik had vanmorgen bij een antiquariaat een essaybundel gekocht van Stefan Hertmans. Het boek was prettig geprijsd, € 6,81, een koopje. Daaruit mocht dan wel worden afgeleid dat het nog vóór de invoering van de euro voor vijftien gulden was aangeboden, en dat het dus al minstens een jaar of tien op een welwillende koper lag te wachten. De naam Hertmans kende ik vagelijk van stukken uit De groene Amsterdammer, maar meer associaties riep hij niet bij me op. Waarom dan dit boek gekocht? Ach, de titel intrigeerde me wel: Fuga’s en pimpelmezen. Maar wat de doorslag gaf, dat was de foto op het omslag. Die toonde een man die, met zijn jas aan en een calotje op, cello zit te spelen temidden van de puinhopen van een kapotgebombardeerd gebouw. Het was, zo las ik voorin het boek, de door de Serviërs verwoeste bibliotheek van Sarajevo, en ik realiseerde me dat die culturele wandaad op het moment van verschijnen van de bundel, 1995, nog kersvers was. Zou die man toevallig net in de muziekafdeling van die beroemde bibliotheek met zijn cellospel bezig zijn geweest toen het bombardement losbarstte? Dat leek me onwaarschijnlijk. Was het misschien de conservator van de afdeling oude muziekinstrumenten, die na de ramp is komen kijken, een zo te zien nog puntgave cello tussen het puin vindt, en meteen even wil proberen of er nog op te spelen valt? Kwam de fotograaf dan toevallig net ook even kijken? Of is die hele strijkpartij in scène gezet? Misschien zou het boek me er meer over vertellen.

Thuisgekomen een kop thee gemaakt en me in mijn leesstoel genesteld, maar eerst even naar het nieuws geluisterd. Het was oneerlijk verdeeld in de wereld. De Olympische Winterspelen werden geteisterd door een tekort aan sneeuw, terwijl vrouw Holle ons onder alsmaar nieuwe sneeuwbuien bedolf. Ook werd er melding gemaakt van ongeregeldheden die stonden te gebeuren in Dresden. Natuurlijk, het was vandaag op de kop af 65 jaar geleden dat het historische centrum van de stad door geallieerde bombardementen in de as werd gelegd, en groepen linkse en rechts-radicale jongeren schenen van plan te zijn dat ieder op hun eigen manier te gaan herdenken.

Ik begon op goed geluk in de bundel van Hertmans met een essay over snelheid en landschap. Wij verplaatsen ons dagelijks met snelheden die die van het menselijk lichaam verre te boven gaan, las ik. Dat heeft ‘psychische echo’s, die we nog niet goed kunnen overzien; destijds schreef Harry Mulisch de gevleugelde woorden: “de ziel komt te paard achter”.’ Nu schrijft ‘de bestgekapte schrijver van Nederland’ wel eens vaker vreemde zinnen, maar dit leek me toch onwaarschijnlijk. Dus Het stenen bruidsbed erbij gehaald, want die ziel die te paard komt, die komt uit dat boek, herinnerde ik me. Een Amerikaanse tandarts, Norman Corinth, wordt eind jaren vijftig (van de vorige eeuw, horen we daar inmiddels bij te vermelden) uitgenodigd voor een congres in Dresden, precies de stad die hij aan het eind van de oorlog ook al eens vanuit een vliegtuig had mogen bezoeken, maar dan als oorlogsvlieger. Verwarring alom, maar liggend op zijn bed in een hotelkamer schrijft hij die verwarring vooralsnog toe aan het feit dat hij zojuist met bovenmenselijke snelheid is aangekomen – lichamelijk is hij al wel gearriveerd, maar geestelijk nog niet: de ziel gaat immers te paard. Dat had hij ergens gelezen, of misschien had hij het wel zelf bedacht, laat Mulisch hem denken, daarmee tegelijk deze metafoor voor zichzelf muntend.

Hoe oud is nu eigenlijk die uitspraak over de ziel te paard? Want het gekke is dat ook ik meen hem wel eens ‘ergens’ te hebben gelezen – niet alleen in Het stenen bruidsbed, maar in een oudere bron. Maar waar? Zeker, na Mulisch heeft hij in onze literatuur een hoge vlucht genomen, en is hij ‘losgezongen’ – om met Nijhoff te spreken –. van de roman, waarin hij wel of niet voor het eerst is geformuleerd. In het verhaal ‘De trui’ (uit de bundel De bruid uit 1982) laat Maarten Biesheuvel een zekere Dirk Olieslager bij zichzelf peinzen dat het eigenlijk belachelijk is dat we om twaalf uur van Schiphol kunnen vertrekken en ‘met wind mee’ om halfeen in New York kunnen landen, zodat je een dag van wel dertig uren maakt: ‘zoiets lijkt me schadelijk voor de gezondheid. “De ziel van een mens reist met de snelheid van een paard”.’ Een vijftiental jaren later overdenkt Doeschka Meijsing in De tweede man dat de ziel een ‘onbetrouwbare landverhuizer (is). Vraag hem waar je thuishoort en hij wijst je omwegen aan. (…) Daarbij moet ik voor de zoveelste keer leren dat de ziel te paard gaat.’

Maar alles went, ook snelheid. Wie dagelijks met 120 km per uur over de wereld raast, zal na aankomst nog maar zelden de dislokatie-gewaarwording kennen die de negentiende-eeuwse treinreiziger nog overviel na een rit vol doodsverachting met snelheden tot wel dertig km per uur. En sinds een jaar of vijftien reizen we met astronomische snelheid via het wereldwijde web over de hele aarde. Voor Stefan Hertmans was dat anno 1995 nog toekomstmuziek, of liever: het schrikbeeld van ‘die abstracte snelheidsuitvinding die ons te wachten staat: de digital highway.’ Voor die snelheid volstaat de vergelijking met een paard niet meer; zelfs de ‘sneltreinvaart’, waarmee velen van ons nog zijn opgegroeid, is aan herijking toe. Hoe sneller het heden zich voltrekt, hoe sneller ook het verleden zich uit onze herinnering lijkt terug te trekken. De verwoesting van de bibliotheek van Sarajevo was in ieder geval al lang weer achter de horizon van mijn herinnering verdwenen.

Tegelijk blijf ik zitten met die veel oudere bron waarin ik ooit de vergelijking van ziel en paard ben tegengekomen. Hij moet dateren uit de tijd van ver vóór vliegtuig, auto, trein en fiets. De tijd dat de mens zich alleen nog maar op twee benen kon voortbewegen, óf de keus had uit de trekschuit en het paard. Wie dan per paard 30 mijl had afgelegd, was aanzienlijk sneller ter plekke dan lopend of over het water. Hoe snel of langzaam zou in die tijd de ziel wel niet gegaan zijn? Met een slakkengang, vermoed ik. Zeg maar: leessnelheid.

Jos Paardekooper

13 februari 2010

Panorama theme by Themocracy