| Dichterlijke vrijheid |
|
|
|
|
De ezel heet Isidoor en de schildpad heet gewoon Kees. Kees is een beroepstobber, die meent dat het hele universum hem kwaadgezind is en dat alle andere dieren in Alexanderstad hem liever kwijt dan rijk zijn. Daarnaast is hij dichter. Dat gaat trouwens vaak samen. Isidoor en Kees hebben op een gegeven moment een goed gesprek, waarbij het al gauw op de dichtkunst komt. Gedichten zijn dingen die rijmen, legt Kees zijn gesprekspartner uit. Zoals:
‘Ik ben een schildpad, geheten Kees. Ik hou van bloemkool maar niet van vlees.’
Kan een ezel ook leren dichten, wil Isidoor weten. Dat blijkt helaas niet zo te zijn. ‘Dichten is een gave, dat kan je niet leren’, weet Kees. Het kan natuurlijk wel zo zijn dat Isidoor die gave ook deelachtig is, maar dat hij zich dat alleen nog niet bewust is. Kees wil hem wel helpen tot zelfinzicht te komen. ‘Je moet heel diep nadenken over niets, en dan komt het ineens. Dat heet inspiratie.’ Daarop geeft Kees nog een tweede proeve van zijn dichterlijk kunnen ten beste, en hij zucht een paar maal diep. ‘Doet het erg pijn, die inspiratie?’, wil Isidoor weten, maar Kees legt uit dat dat de gevreesde Zwaarmoedigheid is, waaraan veel dichters lijden. Maar of het nu van de zwaarmoedigheid komt of van de inspiratie, ineens komt daar een tweede gedicht:
‘Een schaap zegt: bè! en een beer zegt: brom! Maar ik heb liever kommerkom.’
Met dat laatste blijkt dan eigenlijk ‘komkommer’ bedoeld, maar anders rijmt het niet, verklaart Kees. Mag dat dan zomaar, wil Isidoor weten. Ja, dat mag, dat heet ‘dichterlijke vrijheid’. Rijmdwang kan juist heel bevrijdend zijn. Daarop begint Isidoor diep te zuchten, en warempel, na enige tijd welt er een heus gedicht in hem op:
‘Als ik loei Ben ik een koei. Maar als ik ritsel Ben ik een ditsel.’
Die ‘ditsel’ is dichterlijke vrijheid, legt Isidoor zijn leermeester uit. (De ‘koei’ wordt klaarblijkelijk door beide dichters op voorhand al als taalvariant geaccepteerd.) ‘Hum,’zei Kees, ‘Daar moet je toch mee oppassen, vooral als je pas begint.’
Als mijn herinnering me niet in de steek laat – maar dat is niet denkbeeldig – dan is het boek waar deze citaten uit komen, Jeroen en de zilveren sleutel van Daan Zonderland, volgens de uitgever geschikt voor jongens en meisjes van 9-12 jaar, het eerste boek dat ik ooit heb gelezen. In ieder geval heeft het in mijn geheugen die plaats verworven, en dat is misschien nog wel zo belangrijk. Ik meen ook te weten dat ik het al las voordat dat door de uitgever en de katholieke bibliotheek waar ik lid van was, voor mij tot officieel toelaatbare lectuur werd beschouwd. Want ik was al heel vroeg een allesverslindende lezer, en op mijn achtste had ik alle boeken voor onder de negen jaar al meermalen tot me genomen. Gelukkig waren mijn ouders in dit opzicht erg ruimdenkend, en ze hadden al gauw ingeschat dat Knikkertje Lik, Professor Zegellak en de Jeroen-boeken van deze meneer Zonderland gevaarloos ook al wel door nog-geen-negenjarigen gelezen konden worden. Zo raakte ik dus al heel vroeg bekend niet alleen met de poëzie, maar ook met het fenomeen ‘taalgrapjes’, want daarvan wemelde het in de kinderboeken van Daan Zonderland. Trouwens ook in zijn grotemensenboeken. Als dichter van nonsense-rijmen doet hij niet onder voor grote mannen als Christian Morgenstern of Lewis Carroll. ‘Het rijmen stond hem nader dan het huilen’, schreef Kees Fens ooit over Daan Zonderland. Radeloosheid wist hij in zijn verzen, die licht van toon waren maar evengoed zwaar van kost, met redeloosheid te pareren. Zoals hij naast zijn dagelijks bestaan als anglist te Londen, onder zijn eigen naam dr. Daniël van der Vat ook het best kon schuilen in lichtvoetige columns waarin ‘Britten, beesten en buitenlanders’ figureerden. Het deed me deugd te lezen, in diezelfde inleiding van Fens (bij de verzamelbundel Volksliedjes uit Zaandonderland) dat Zonderland/Van der Vat zich laat samenvatten in de beginregel van het tot grimlachens toe treurige gedicht ‘Weemoed’, dat ook ik altijd mijn favoriete DZ-gedicht heb gevonden: ‘O, weemoed waaraan Waspik lijdt..’ Het slot van datzelfde gedicht mag er trouwens ook zijn:
‘O, weemoed, weemoed bovenal Om wat er van ons worden zal, Om al wat was en wat zal wezen En waarvan niets ons kan genezen.’
De rest moet u zelf maar eens opzoeken. Vederlichte zwaarmoedigheid is het, ‘die des avonds komt en die niemand kan verklaren’. Zinvolle onzin, even zinvol en onzinnig als het leven zelve.
Jos Paardekooper, 3 oktober 2010 |


