| Waarom |
|
|
|
|
Hij kan zomaar ineens opduiken, de waarom-vraag. Hij overviel me, toeval of niet, zowel aan het begin als aan het eind van mijn zomervakantie. Het begon op een terras in een lieflijk Duits plaatsje waarvan ik de naam al weer ben vergeten, het was in ieder geval in de buurt van Kassel, beroemd van de Dokumenta-tentoonstellingen. Maar die waren er dit jaar niet, en dan valt er in Kassel zelf niet zo heel veel te beleven. Vooral niet als dan ook nog eens vrijwel alle musea gesloten zijn, zelfs al stond er op de onderscheiden voordeuren aangegeven dat ze wel degelijk geopend waren. Natuurlijk schiet er dan ‘waarom?’ door je heen, maar dat was niet de situatie die ik nu bedoel. Die kwam pas in dat lieflijke plaatsje, dat trouwens Münden heet, nu herinner ik het me ineens weer. De plaats schijnt al eeuwen beroemd te zijn vanwege de wonderbare gaven van een zeventiende-eeuwse chirurgijn, een zekere dokter Eisenbart, die in de loop der eeuwen mythische vormen hebben aangenomen. Maar we bevinden ons dan ook middenin het gebied waar de gebroeders Grimm hun beroemde sprookjes hebben opgetekend. Zo goed als alle kwalen kon dokter Eisenbart verhelpen: de lammen kon hij weer laten zien, de doven kwamen kwiek wandelend weer uit zijn behandelkamer, en de blinden bleken warempel ineens weer te kunnen horen. Een voorloper van dokter Vogel dus. Nu wordt hij vooral geraadpleegd door de toeristen, die hij in het hoogseizoen een paar keer per dag in een speciaal kamertje in het stadhuis ontvangt. Het contrast kan niet groter zijn, maar toch moest ik de afgelopen week geregeld aan die verongelijkte kop terugdenken. Daar begint alle ellende, leek het. Gisterenavond voltooide ik de lezing van ‘een kleine geschiedenis van de Grote Oorlog’, zoals de titel bescheiden luidt. De auteur is Koen Koch, die zich, gezien eerdere boeken over de slagvelden aan de Somme en rondom Ieper tot een specialist op het gebied van de Eerste Wereldoorlog aan het ontwikkelen is. Ik dacht al aardig thuis te zijn in deze materie, maar werd op bijna iedere bladzijde toch weer overrompeld door alle arrogantie, incompetentie, halsstarrigheid, grootheidswaan, moedwil en misverstanden van de politieke en militaire leiders, en tussen deze machthebbers onderling. Geen oorlog ontstaat bij toeval, zelfs niet uit noodzaak - de aanleiding ligt altijd bij mensen, en wel bij de leiders. Maar scherper dan ooit tevoren wordt de lezer gewaar dat een oorlogsmachine die eenmaal in gang is gezet, niet meer is te stoppen, niet alleen omdat dat een eigenschap van machines is, maar ook omdat anders de waarom-vraag opdoemt. Het is, hoewel de schaal waarop er met met mensenlevens gesmeten wordt in de afgelopen eeuw aanzienlijk is verminderd, nog altijd diezelfde vraag: Irak, Afganistan, van ophouden kan geen sprake zijn, want dan zouden alle slachtoffers die er de afgelopen decennia zijn gevallen ‘voor niets’ zijn geweest. En dus gaan we door, met nog meer rampspoed en weer meer reden om daarna weer door te gaan. Op het ‘waarom’ van die waanzin bestaat geen antwoord, alleen maar de vraag. Koch kon zijn boek dan ook niet treffender eindigen dan met de slotregels van het befaamde gedicht van Thomas Hardy, ‘And there was a great calm’. Hier komen ze: Calm fell. From Heaven distilled a clemency; 22 aug. 2010 |


