| Utopisch denken |
|
|
|
|
‘Wat let je’, zegt mijn buurman als we komen te spreken over de wereldtentoonstelling in Sjanghai. ‘Een retourtje voor nog geen tweeduizend euro.’ Geen geld, als je bedenkt dat je daarvoor de hele wereld in een notendop te zien krijgt, en ook nog eens de Nieuwe Wereld in levende lijve kunt aanschouwen. Een andere buurman van me heeft al sinds jaren een appartement in Sjanghai, dus met wat naoberschap komen er wellicht geen verblijfskosten meer bij. Maar helaas, dat reisje gaat mijn budget toch een beetje te boven. Ik hou het ook deze zomer dus maar weer bij een eenvoudig verblijf in Droomland. Dat grenst aan mijn achtertuin, en dat drukt de kosten aanzienlijk. Wat niet wegneemt dat het fenomeen ‘wereldtentoonstellingen’ me blijft prikkelen. Dat komt, denk ik, omdat het deel uitmaakt van het utopisch denken. En omdat anno 2010 meer dan de helft van de wereldbevolking in de stad woont, is het centrale thema dit keer: ‘better city, better life’. Een motto dat niet helemaal van sarcasme gespeend is, in ieder geval voor het grootste deel van de stadsbewoners in China zelf, dat in een golfplaten hutje woont. Nou ja, het is nog waar ook; veel slechter kan het voor hen niet meer worden, dus vooruit, hopen op een ‘better life’. Voor ons eigen land is dat betere leven gevisualiseerd in de zogenaamde ‘Happy Street’, waarin de bezoekers in Sjanghai een draaiorgel te zien krijgen, DJ Tiësto, een nieuwe tulpenvariëteit (de ‘Zeeschat’) en Nijntje, die in China Niffy heet. Natuurlijk is het geen toeval dat de World Expo dit jaar aan Sjanghai is toegevallen, amper een jaar na de Olympische Spelen in Beijing (voorheen Peking). Hier ligt het nieuwe centrum van de wereld, en voor zo ver dat nog niet tot de oude wereld was doorgedrongen, weten we dat bij dezen. Zo ging het anderhalve eeuw geleden ook, toen de Columbian World Exposition in Chicago in 1893, vier jaar na de wereldtentoonstelling in Parijs, een statement ten gunste van de States was. Toen gold Amerika als ‘de nieuwe wereld, zoals Antonin Dvorak zijn negende symfonie uit 1893 dan ook doopte, toen hij een bezoek had gebracht aan onder meer Chicago. Eind negentiende eeuw was het het land van Buffalo Bill en van Julia Ward Howe (de componiste van de ‘Battle Hymn of the Republic’), dat op nauwelijks subtiele wijze zijn superioriteit tegenover het oude, vermoeide Europa liet zien. De naam van Buffalo Bill als de belichaming van de onverschrokken Yankie-bink is sinds en zelfs dankzij ‘Chicago’ over de hele wereld gevestigd. De organisatoren vonden zijn verschijning nu net iets te vulgair om hem een officieel plaatsje op het tentoonstellingsterrein te gunnen. En dus sloeg hij met een troep onvervalste Indianen zijn tenten vlak voor de ingang op. Aangezien zijn entreegeld een schijntje was van dat van de echte tentoonstelling, schijnt hij met zijn populaire show vele duizende potentiële bezoekers van de ‘white city’ te hebben afgesnoept. Wie zei er dat guerillareclame van onze tijd is? Tweehonderdtwintig gebouwen stonden er destijds op het tentoonstellingsterrein in Chicago. Ze waren ontworpen door een groep van architecten die - in ieder geval voor de buitenwereld - in grote harmonie in recordtijd een ideale stad bouwden. Dat van al die bouwsels al snel na de tentoonstelling niets meer over was - de meeste vielen ten prooi aan de in dat gebied beruchte stormen én aan moedwillige brandstichting - laat onverlet dat er vanuit die eendrachtige bouw een ‘City Beautiful beweging’ ontstond, die een krachtige impuls heeft gegeven aan het geloof in het wonen in een stedelijke agglomeratie. En dat miljoenen Chinezen, die dit jaar de Hollandse ‘Happy Street’ bezoeken, ons nog decennialang zullen associëren met draaiorgels en Nijntjes, ach: in 1893 presenteerde het toen jonge Duitsland zich in Chicago met een gigantisch stalen kanon van het merk Krupp. We leven al een ‘better life’, zo bezien.
15 augustus 2010 |


