|
‘Ik heb een heel leuk boek voor je’, zei een collega tegen me, en ze haalde het uit haar tas. Ik was wel benieuwd waarmee ze zou komen, want zo vaak hadden we elkaars leesvoorkeuren nog niet uitgewisseld. De duivel in de witte stad, heette het. Even aarzelde ik, maar meteen toen ik het omslag zag, begreep ik dat het een schot in de roos was. De omslagfoto toonde een basiliekachtig gebouw bij nacht, badend in het licht van misschien wel duizend gloeilampen, en weerspiegeld in de immense vijver vóór het gebouw. Natuurlijk, ‘de witte stad’ was de bijnaam van het complex bouwwerken van de Wereldtentoonstelling die in 1893 in Chicago was gehouden. Min of meer uit nood, dat wil zeggen uit geld- en tijdgebrek hadden de architecten destijds besloten om alle gebouwen wit te pleisteren, en waarachtig: het effect was oogverblindend geweest. ‘The White City remains symbolic of a harmonious urban world still worthy of pursuit.’ Zo luidde de slotzin van een kloeke studie over deze roemruchte wereldtentoonstelling die ik mijn collega kennelijk kort tevoren onder de neus had gehouden. En nu was het haar beurt. ‘Hou je van spannende boeken?’, vroeg ze nog voor de zekerheid, maar ook dat zat wel goed. Vierhonderdvijftien bladzijden, amper vijf dagen later had ik het al uit – er zijn boeken waarin je niet kunt ophouden. Van alle wereldtentoonstellingen die er de afgelopen anderhalve eeuw zijn gehouden (de eerste was die van Londen, 1851, in het al even befaamde Crystal Palace) neemt die van Chicago een aparte plaats in. Het was de tijd dat het in wereldtentoonstellingen nog draaide om ‘vooruitgang’, om uitvindingen die de wereld zouden verbazen en vaak ook blijvend zouden veranderen. Chicago bracht bijvoorbeeld de popcorn, kauwgom, de eerste Amerikaanse hamburger. En het eerste stalen megakanon van Krupp. ‘De witte stad’ zou, eveneens voor het eerst in de geschiedenis, ‘s nachts even licht zijn als overdag, dankzij de uitvinding van de gloeilamp. Naast al die revolutionaire nieuwigheden wilden de Chicagoërs hun land, en dan vooral concurrent New York ook laten zien dat ze meer dan varkensslachters waren. Binnen twintig jaar zijn we na Parijs de grootste stad ter wereld, dachten ze zelf, en ze begonnen alvast met de bouw van de allereerste wolkenkrabber ter wereld. Europa mocht het weten, dat ze daar in de States tot nog grotere prestaties in staat waren dan de Fransen, met hun Eiffeltoren, het pronkstuk van de wereldtentoonstelling in 1889. Dus bouwden ze het allereerste reuzenrad, tweemaal zo hoog als die vermaledijde ‘clou’ of spijker, zoals de Eiffeltoren werd genoemd. Maar nu die duivel, want terwijl in Engeland een massamoordenaar zijn lugubere faam vestigde als ‘Jack the Ripper’, vestigde zich ten tijde van de bouw van ‘de witte stad’, in een buitenwijk van Chicago een zekere dokter Holmes. Hij heette eigenlijk Herman Mudgett, maar hij hield wel van de verhalen van Poe en Conan Doyle. En hij beschouwde zichzelf als nog veel intelligenter dan Sherlock Holmes himself. Hij zou zich ontpoppen als de grootste massamoordenaar uit de Amerikaanse geschiedenis – meer dan tweehonderd slachtoffers volgens sommige geruchten, maar zoveel heeft men nooit kunnen bewijzen. Op zichzelf hebben deze Holmes en de wereldtentoonstelling niet zo heel veel met elkaar te maken, afgezien van hun gelijktijdigheid. Hoewel: in een stad die bezig is explosief te groeien, en die in een half jaar tijd meer dan 25 miljoen bezoekers trekt, kan men net iets gemakkelijker zijn gang gaan dan in een overzichtelijke samenleving. Ook in dat opzicht was de wereldtentoonstelling in Chicago innovatief: zij markeerde de overgang van een ‘harmonious urban world’ naar de anonieme geïndustrialiseerde nieuwe wereld. Een wereld die nog heel wat geweld te zien zou geven. Niet voor iedereen ‘worthy to pursuit.’ Maar we hebben geen keus.
4 juli 2010
|